Het komt weinig voor, maar er kunnen tijdens of na een bloedtoediening (transfusie) bijwerkingen optreden. De meest voorkomende bijwerkingen zijn rillingen, koorts, misselijkheid, kortademigheid, onwel voelen en symptomen van allergische aard zoals huiduitslag en jeuk. Verwittig onmiddellijk een verpleegkundige als je één of meer van deze symptomen ervaart.
De transfusie wordt dan onmiddellijk gestopt en de arts beslist over de te nemen maatregelen. Vaak kan dit eenvoudig met geneesmiddelen worden behandeld. Deze bijwerkingen kunnen ook worden veroorzaakt door reeds aanwezige afweerstoffen tegen bloedcellen van een bepaalde bloedgroep.
Indien het labo vaststelt dat je dergelijke afweerstoffen hebt, krijg je een bloedgroepkaartje met daarop de vermelding van dit gegeven. Dit moet je bij volgende bloedtransfusies altijd aan jouw arts tonen.
Bij toediening van veel bloed in korte tijd kan er vochtopstapeling ontstaan, wat het ademen kan bemoeilijken. In dat geval zal er medicatie worden toegediend om het vocht af te drijven.
De verpleegkundige controleert tijdens de transfusie op vaste tijdstippen je bloeddruk, pols en temperatuur om eventuele bijwerkingen vlug op te sporen. Soms treden bijwerkingen pas op enige tijd na de transfusie. Als gevolg van de snelle vorming van afweerstoffen (antistoffen) tegen lichaamsvreemde rode bloedcellen kan enkele dagen na transfusie koorts, geelzucht of donkere urine (hemoglobinurie) ontstaan. Mocht je je na de transfusie thuis onwel voelen, dan moet je onmiddellijk jouw (huis)arts raadplegen, of zo nodig naar de dienst spoedopname komen.