Klachten
|
|
|
|
Kortademigheid | Opgezette voeten en benen | Chronisch gebrek aan energie | Slaapproblemen 's nachts doordat ademhalen moeite kost |
|
|
|
|
's Nachts vaak moeten plassen | Opgezette of gevoelige buik met gebrek aan eetlust | Hoesten waarbij schuimig slijm wordt opgegeven | Verwardheid en/of geheugenstoornissen |
Diagnose
Het vaststellen van de diagnose gebeurt aan de hand van verschillende onderzoeken. De arts zal bepalen welke onderzoeken bij jou het beste van toepassing zijn.
Hieronder een overzicht van enkele onderzoeken:
- Medische voorgeschiedenis en anamnese: hierbij zijn de voorgeschiedenis, de cardiale risicofactoren, de familiale belasting en de huidige symptomen belangrijke gegevens om een zicht te krijgen op het hartfalen.
- Klinisch onderzoek: hier zal de arts/verpleegkundige vooral lichamelijke onderzoeken uitvoeren om hartfalen al dan niet uit te sluiten. Bijvoorbeeld: het beluisteren van hart en longen, onderzoek van de buik, controle van vochtopstapeling in de benen en voeten, gewichtscontrole, …
- EKG of elektrocardiogram: dit is een pijnloos onderzoek waarbij men een 10-tal elektroden gebruikt om zo de elektrische activiteit van je hart weer te geven. Uit een EKG kan men belangrijke informatie halen. Bijvoorbeeld: Heb je een infarct of reeds één doorgemaakt? Heb je ritmestoornissen? Is er hartspierziekte aanwezig?
- TTE of Echocardiografie: dit onderzoek gebeurt aan de hand van geluidsgolven, een echografie via de borstkas. De hartfunctie, de hartkleppen, de structuur van de hartspier, eventuele lekkage van de hartkleppen, … kunnen hiermee in beeld gebracht worden.
- TEE (echocardiografie via de slokdarm): doordat het hart vlak naast de slokdarm gelegen is, kan men via die weg nauwkeurig naar het hart kijken. Dit onderzoek wordt uitgevoerd wanneer de echografie via de borstkas onvoldoende informatie geeft of men nog extra informatie wil verkrijgen.
- Fietsproef of ergospirometrie: deze belangrijke proef geeft een beeld weer over de inspanningscapaciteiten. Zo kunnen we eventuele ritmestoornissen bij inspanning vaststellen. De fietsproef toont ook of er mogelijks vernauwingen van de kransslagaders aanwezig zijn.
- Holter: dit is een toestel dat 1 dag of langer kan gedragen worden om hartritmestoornissen uit te sluiten.
- RX van de borstkas (thorax) of longfoto: bij dit onderzoek kijkt de arts vooral naar het volume van het hart en of er al dan niet vocht in de longen zit.
- Labo-onderzoek: dit is een bloedafname.
- CT-scan: bij dit onderzoek maakt men opnames van de kransslagaders door middel van een contrastvloeistof. Het geeft aan of er al dan niet verkalkingen aanwezig zijn in de kransslagaders.
- Hartkatheterisatie: bij dit onderzoek worden de kransslagaders (coronairen) rond het hart in beeld gebracht met een dun slangetje (een katheter), via de aders in de pols of lies. Dit onderzoek meet de druk na een letsel en kan weergeven hoe ernstig een vernauwing is. Bij het vaststellen van een vernauwing kan de arts het bloedvat terug vrij proberen maken door het plaatsen van een stent om de bloedtoevoer naar het hart te verbeteren of te herstellen.
- Cardiale NMR: dit onderzoek laat toe de functie van het hart heel nauwkeurig te analyseren. Het onderzoek draagt tevens bij tot de diagnosestelling van hartfalen. Na het toedienen van contrast kan ook de uitgebreidheid van een infarct ingeschat worden.
- Hartbiopsie: men neemt bij dit onderzoek een stukje hartweefsel weg en onderzoekt het om de eventuele oorzaak van hartfalen te achterhalen.